| VVD Apeldoorn > Nieuws > Raadsonderzoek grondbedrijf |
Daar staan we dan, met de kennis van nu. Ons aangereikt door de collega’s die de onderzoekscommissie in onze opdracht hebben gevormd. Hard gewerkt, lang over gedaan met als resultaat een ontluisterend beeld. Een beeld waarbij ook blijkt dat de commissie na de voltooiing van hun arbeid er goed voor heeft weten te zorgen dat het zijn uitwerking niet mist.
Wij zijn daar erkentelijk voor omdat een interventie als deze ons in staat stelt goede lessen te trekken voor de toekomst. Hoewel wij veel van de inhoud van het rapport herkennen en erkennen, zullen wij een aantal van de conclusies amenderen. Dat zullen wij ook doen met enkele aanbevelingen omdat wij vinden dat die niet ver genoeg gaan. Immers: wie door de oogharen kijkt of bijvoorbeeld de Telegraaf leest, kan er niet om heen: wat hebben we er met z’n allen een zooitje van gemaakt. De organisatie, natuurlijk onder de verantwoordelijkheid van opeenvolgende colleges, maar ook de raad, want wij vonden alles goed. Voorzitter, als dit Den Haag zou zijn, zouden we nog voor de Paasdagen nieuwe verkiezingen hebben.
Het is de vraag of de raad zichzelf moet verwijten 12 jaar geleden aan planoptimisme te doen. Wij vinden van niet, zo lang dat maar gebeurt vanuit politieke ambities. Dat wordt anders als een politiek uitgesproken wens zorgvuldig wordt voorbereid door een college met daarachter een organisatie die meer oog heeft voor de politiek wenselijke koers dan voor de technische en inhoudelijke haalbaarheid daarvan. Rond 2002, toen we geld bijeen brachten voor de verdubbeling van de woningbouw, is er in ieder geval in deze raad meer dan eens gesproken over het feit dat je dat geld in de uitleggebieden moet verdienen om binnenstedelijk nog iets mogelijk te maken. Onder onze ogen heeft een kwalijke vertraging van die woningbouw plaatsgevonden. Impliciet kun je hier ook opvatten als stiekum.
De grootste stommiteit die wij als raad hebben begaan is dat we met de dualisering in 2002 ons belangrijkste controle-instrument hebben weggegeven. Daarmee is hebben wij onszelf als gemeenteraad in een veel te goedgelovige positie gebracht. We hebben te slecht gebruik gemaakt van één van den belangrijkste functies van de gemeenteraad. Namelijk de controlefunctie. Daarbij past een gevoel van schaamte. Niet alleen van de VVD, maar van ons als hele gemeenteraad. We hebben onvoldoende in de de gaten gehad dat zich onder onze ogen een soort van pyramidespel aan het ontwikkelen was, dat alleen door kon gaan met vers geld. De Apeldoornse bubble, zoals de voorzittyer van de onderzoekscommissie dat veelzeggend heeft beschreven.
Voor dat spel zijn wij als gemeenteraad in formele zin verantwoordelijk. Maar niet alleen. De onderzoekscommissie heeft ons wat dat betreft de ogen wel geopend. Verantwoordelijkheid is hier aan de orde op ieder niveau.
In de eerste plaats de politiek. Een deel van de problemen hebben we zelf veroorzaakt, door te willen streven naar indirecte winstnemingen. Met dat streven is niets mis, maar de vraag is of de vertaling daarvan ook wel mag. Wij hebben sterk de indruk gekregen dat hier binnen de organisatie onvoldoende checks en balances voor bestaan. Met andere woorden: er is geen sprake van een strikte functiescheiding, waarbij de directeur RO de verantwoordelijkheid op projectniveau draagt en deze deelt met projectleiders. De betrokkenheid van het grondbedrijf is om met de vooraf vastgestelde kaders, en via een volkomen transparante interne opdrachtstructuur ook de bevoegdheden en het gezag van het grondbedrijf uit te oefenen, zonder inmenging van financiën, economische zaken, ruimtelijke ordening etc. De planeconoom accordeert de rekeningen, controleert de budgetten en signaleert afwijkingen daarvan onmiddellijk. Aan de directeur ruimtelijke ordening en aan het college. Als er afgeweken wordt van kaders, hoort het college daar een opvatting over te hebben en moet de raad daarover worden geïnformeerd.
Voorzitter, het rapport van de onderzoekscommissie wemelt van de voorbeelden en de suggesties van situaties waarin deze strikte functiescheiding volstrekt afwezig was. Dus konden ook de meer financieel ingestelden onder de verantwoordelijken hun gang gaan. Ook dat valt te lezen.
Dat geldt ook voor de vraag wanneer grondexploitaties moeten worden herzien en moeten worden geactualiseerd. Daarvoor zou een sterke jaarlijkse koppeling naar de werking van de markt zichtbaar gemaakt moeten worden. Het rapport leert dat die er feitelijk niet meer is, ongeacht of dit nu gaat over aantallen woningen of hectares bedrijventerrein. Bij de bouwclaims zijn er geen afspraken over grondprijs, uitgifteprijs of indexeringen. Geactiveerde rentes zijn dan gebaseerd op verwachtingswaarde, niet op marktwaarde. Typisch Apeldoorns, maar in onze ogen onjuist. Als dat de manier is waarop politiek planoptimisme professioneel wordt ingevuld, is dat verkeerd. Net zo verkeerd als het uitblijven van krachtige professionele noties dat als de raad op het punt staat politieke afspraken te maken over taakstellende winstafdrachten(ik heb het over de formatie van 2006), dat dit gewoon niet kan en niet mag. Zo’n notie had op een niet te beïnvloeden manier onmiddellijk zowel het (toen nog te vormen) college als de raad moeten bereiken. Daarbij had een directe relatie zichtbaar gemaakt moeten worden moeten bestaan met alle uitstaande projecten en dat is niet gebeurd. Dat moet worden hersteld, dus bij de aanbevelingen zullen wij hierover een motie indienen. Dit systeem moet echt veranderen, want anders hebben we niets aan dit rapport. Daarbij willen wij ook een echte afweging zien hoe wij ook met lagere grondprijzen en andere systeemaanpassingen dat kunnen doen in ons vermogen, om de markt weer een beetje op gang te helpen, in plaats van alleen maar alleen maar verlies te nemen door afboekingen.
De conclusies. Veel van de conclusies spreken het hele college aan, feitelijk tot op de dag van vandaag. Het is dus aan het college om hier een nadrukkelijke opvatting over te hebben, waarbij het besef over de verantwoordelijkheid hiervoor eigenlijk zwaarder telt dan de verdediging ervan. Gelukkig hebben we dat van de zijde van het college ook zo gehoord.
Wij hebben zelf naar aanleiding van het rapport vragen gesteld aan de commissie. De rode draad daarvan was te kunnen volgen op welk manier signalen of gefragmenteerde indicaties dat er iets mis dreigde te gaan hun ordentelijke route binnen de organisatie hebben gevolgd, vervolgens in het college zijn besproken, gevolg door een collegebesluit en de informatie hierover aan de raad. Wij betreuren het dat de commissie in zijn beantwoording soms aangeeft deze informatie niet te hebben of zijn conclusies baseert op soms maar één bron. Of één interview. In zijn algemeenheid kun je dan stellen dat sommige conclusies met net zoveel recht van spreken ook wel eens een veronderstelling zouden kunnen zijn, en helemaal geen conclusie. Ik noem daarvan twee voorbeelden. Het eerste gaat over de spanningen tussen de PvdA en de VVD over het grondbedrijf. In het rapport komt dat in concluderende zin voor, terwijl in de tekst van het rapport feitelijk staat dat dit niet het geval was, maar dat er sprake was van spanning tussen de fractie van de VVD en de toenmalige fractievoorzitter van de PvdA en dus niet met de hele fractie van de PvdA. Dat was niet zo en dat is niet zo. Tweede voorbeeld: bij de formatie van 2010 is wel degelijk gesproken over het toen al afboeken van projecten waarvan je kunt verwachten dat ze verliesgevend zijn door vertragingen of andere factoren. De wethouder financiën vond dat op dat moment niet nodig. Wij hebben gevraagd of de commissie zich bij haar oordeelsvorming op die informatie heeft gebaseerd en het antwoord was ontkennend. Ook zoiets zet de hoofdconclusies die hierover gaan, toch ook iets meer in het decor van de veronderstellingen. Overigens: de commissie meldt niet dat de wethouder financiën in de vorige bestuursperiode specifiek voor het grondbedrijf de sparring partner was van de wethouder grondzaken. Maar dat terzijde.
Het doet zeer als we in de meest dodelijke conclusies lezen dat het college de raad bewust onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd. Met name de term bewust is een zaak die het college in eerste instantie aangaat. Het maakt mensen boos, roept een beeld op van de boel belazeren. Wij erkennen dat er heel erg veel fout is gegaan, zo lezen wij die conclusies dan ook in eerste instantie. Ik kom er zo nog even op terug.
Wij hebben een amendement bij conclusie 20. Wij stellen voor de eerste zin te schrappen. Immers: meer dan eens is de raad geïnformeerd dat vanaf de MPG 2009 de MPG nog niet helemaal goed was en dat-ie beter kon. Wij wisten dat.
Wat wij jammer vinden is dat de conclusie over de rekenkamer eigenlijk een verwijt aan de raad is. Als de rekenkamer meer wist, had de rekenkamercommissie destijds ook harder met de vuist op tafel moeten slaan.
Het rapport gaat in op de vraag hoe het verder moet. Dat zijn de aanbevelingen. Ik heb al aangekondigd dat we rond de aanbevelingen 4,5, en 6 met een motie zullen komen die het college opdraagt binnen een maand voorstellen ter goedkeuring aan de raad voor te leggen voor meer transparantie, functiescheiding en de verdeling van verantwoordelijkheden binnen de organisatie. Dat is nog veel belangrijker dan tijdelijke versterking of een groep van wijze mannen. Overigens: wij vinden dat het systeem zo transparant moet zijn, dat iedereen met een wethouder of een college zou moeten kunnen praten. Anders werk je angst nooit weg en organiseer je de tegenspraak uit het proces.
Bij aanbeveling 6, verbeter de informatievoorziening aan de raad, hebben wij ook een amendement. Alleen een verbetering is ons niet genoeg. Het amendement dat wij hebben heeft betrekking op het in staat stellen van de raad om te besluiten over actief risicomanagement en goede informatie hierover, niet alleen maar betere informatie.
Bij aanbeveling 8 hebben wij ook een amendement, tot slot. Wij willen niet alleen dat projectoverstijgende belangen goed geborgd zijn, maar ook de projectoverstijgende effecten. En bij aanbeveling 10 hebben wij ook nog een amendement dat er voor zorgt dat we geen winsten meer kunnen nemen zo lang we ook niet weten dat we eerst geld verdienen. Dat is nog iets anders dan hopen.
Dan afsluitend voorzitter. Ik herhaal het nog een keer. Er zijn erg veel fouten aan het licht gekomen. Het kan niet zo zijn dat de verantwoordelijkheid hiervoor wordt ontkend of weg wordt geredeneerd. Aan de kant van de raad, aan de kant van de organisatie en aan de kant van het college. Ik heb al gezegd: als dit Den Haag zou zijn, zouden er verkiezingen komen. Maar dat kan hier niet. Wij hebben groot respect voor de souvereine manier waarop onze eigen wethouder Metz heeft geconcludeerd hoe hij zijn verantwoordelijkheid als lid van het college voelt, door zijn aankondiging dat hij zich als lid van datzelfde college zal verantwoorden en vervolgens als persoon daarna geen lid meer zal zijn van dit college. Het kan niet zo zijn dat daarmee alles voorbij is en dat we over gaan tot de orde van de dag.
Werner Ludwig
Sytse Wiering
Erica Schmahl
Roel van Swam
Liesbeth Rooijmans
Jos Reijerink
Het bestuur en de fractie van de VVD Apeldoorn betreuren het vertrek van wethouder Rob Metz. De VVD was verrast door zijn aangekondigde aftreden, afgelopen maandag 23 januari, maar respecteert zijn besluit. Na het raadsdebat over het onderzoeksrapport 'de grond wordt duur betaald' dat op donderdag 2 februari plaats vindt zal hij als wethouder terug treden.Rob Metz is sinds 1994 voor de VVD actief in de Apeldoornse politiek, eerst als raadslid en sinds 2003 als wethouder.
De VVD bedankt Rob Metz voor de plezierige samenwerking en zijn energieke inzet en wensen hem nog veel succesvolle jaren toe.
Bestuur & Fractie afdeling Apeldoorn